Mariecke van den Berg schrijft over lied 806: Zomaar te gaan met een stok in je hand

Heerlijk om aan te treffen in het Liedboek - Zingen en bidden in huis en kerk: lied 806, Zomaar te gaan met een stok in je hand, van Hanna Lam. Ik denk dat ik dit lied voor het laatst gezongen heb op de basisschool en toen ik het bij het doorbladeren van het liedboek tegenkwam, stroomden de herinneringen binnen. De meester van groep zes die het ons eerst voorspeelde op de snerpende blokfluit, tot we ons de melodie eigen hadden gemaakt en de fluit gelukkig weer in de la verdween. Basisschool ´t Kompas, waar Hanna Lam zo vaak gezongen werd dat zij bijna een extra klasgenoot was.

De tekst heeft me altijd bijzonder aangetrokken.

Zomaar te gaan met een stok in je hand,
zonder te weten wat je zult eten.
Zomaar te gaan met een stok in je hand;
eindeloos ver is ´t beloofde land.

Het lied sloot prachtig aan bij een kant in mezelf die ik toen langzaamaan begon te ontdekken. Die van avontuur, van reizen, van voettochten en ontbering. Ik las er over in de jongensboeken die ik verkoos boven de meisjesboeken. Snuf de Hond, Snelle Jelle en de Scheepsjongens van Bontekoe waren me liever dan Floortje Bellefleur, De Drieling, de Olijke Tweeling en welke andere meerlingen men mij ook maar cadeau meende te moeten doen. Zomaar te gaan. Ik wist zeker dat ik dat op een dag zou doen: een blokhut in Canada betrekken om daar pelsjager te worden.

Het was die avontuurlijke kant in mij, die ik lange tijd beschouwd heb als mijn “mannelijke” kant maar nu niet meer zo zou benoemen, die me regelmatig in conflict bracht met anderen. Wanneer diezelfde meester een paar “sterke jongens” nodig had om de TV-kast te verplaatsen, bijvoorbeeld, brieste ik van verontwaardiging. Waarom geen sterke meiden? Het is die kant die me soms ook alleen heeft laten staan en onzeker maakte, wanneer ik “meisjesdingen” niet begreep. De eerste keer dat ik mascara gebruikte, smeerde ik het op mijn wenkbrauwen.

In de woestijn worden kinderen groot

Die regel slaat op de kinderen van het volk van Israël die, na de uittocht, in de woestijn geboren worden en daar ook opgroeien. Voor mij verwijst die zin naar een proces van afzondering, de ervaring van apart te staan van de gemeenschap, een tijd waarin je je eigen keuzes leert maken. I’m gonna find my direction magnetically, zingt Eddy Vedder in het lied Society. Het lied draagt de film Into the Wild, waar de hoofdpersoon Chris geheel alleen Alaska in trekt om te proberen of hij daar op eigen kracht kan overleven. In de afzondering, de woestijn, leer je om je kompas te gebruiken, zoek je uit waar jouw noorden ligt, welke kant je op moet.

Na verloop van tijd verminderde het conflict. Wanneer ik nu terugkijk, zie ik dat er altijd mensen in mijn omgeving zijn geweest die mijn “tomboy” gedrag niet alleen tolereerden of accepteerden, maar ook waardeerden als iets dat bij mij hoort. Mijn ouders voorop. Mijn woestijn was niet zo eenzaam als ik dacht. Dat had ook met God te maken. Lange tijd meende ik dat God en mijn eigen kompas verschillende kanten op wezen. Gaandeweg, met de stok in mijn hand, leerde ik dat de verhalen over Mozes, David en Nehemia ook over mij gingen. Dat de God van Abraham en Izak ook de God van Debora en Jaël is.

Zomaar te gaan met zijn woord als bewijs:
straks wonen wij in een paradijs.

Laat het een paradijs zijn waar je, als je zin hebt, de gouden straten achter je kunt laten om de nieuwe aarde in te trekken. Een paradijs met bergen en rivieren, met blokhutten en vishengels, met kampvuurtjes en tromgeroffel. Een paradijs waar je tot in eeuwigheid kunt kamperen. Waarom ook niet? Ook God woonde in een tent.

Mariecke van den Berg werkt als projectcoördinator voor LCC Plus projecten, een samenwerkingsverband van vijf christelijke LHBT organisaties. Daarnaast doet zij binnen het project ‘Contested Privates’ aan de VU in Amsterdam onderzoek naar het spanningsveld tussen religie en homoseksualiteit in publieke debatten. Ze is bestuurslid van het Werkverband van Queer Theologen (WQT).